www.wimjongman.nl

(homepagina)


De wederkomst van Saturnus - Deel 19: De voorspelde vernietiging van de Wachters

11 januari 2022 - door Derek Gilbert

Deel 1 - Deel 2 - Deel 3 - Deel 4 - Deel 5 - Deel 6 - Deel 7 - Deel 8 - Deel 9 - Deel 10 - Deel 11
Deel 12 - Deel 13 - Deel 14 - Deel 15 - Deel 16 - Deel 17 - Deel 18 - Deel 19 - Deel 20 - Deel 21
Deel 22 - Deel 23 - Deel 24 - Deel 25 - Deel 26 - Deel 27 - Deel 28 - Deel 29 - Deel 30 - Deel 31
Deel 32 - Deel 33 - Deel 34 - Deel 35

Het Assyrische koninkrijk ontstond als de dominante politieke en militaire macht in het oude Nabije Oosten tegen het einde van de tiende eeuw v.Chr., kort na de verdeling van Israël in het noordelijke koninkrijk, dat de naam Israël behield, en het zuidelijke koninkrijk, Juda. In de volgende drie eeuwen breidde Assyrië zijn grenzen uit tot het gehele Midden-Oosten, met inbegrip van Egypte en de oostelijke helft van Anatolië (het huidige Turkije). Het was in deze periode dat de grote koning Sennacherib opschepte over zijn veroveringen in Babylonië en de "koninkrijken van Enlil" bespotte.

Wij hebben in een vorig artikel opgemerkt dat Enlil, de "Grote Berg", door Jahweh met minachting werd bejegend, in het bijzonder in Zacharia 4:7 en in Ezechiël's vermeldingen van zijn visioen van de troonzaal van God boven Enlil's thuisstad, Nippur. Dan zijn er nog de veroordelingen van "waardeloze afgoden" in Jesaja 2, Psalm 96, en Psalm 97, die in feite verwijzingen kunnen zijn naar de volgelingen van Enlil (Shemihazah), de ʾĕlîlim die een pact sloten om in opstand te komen met hun leider op de berg Hermon.

()

Neo-Assyrisch rijk op het hoogtepunt van zijn macht (Bron: klik om te vergroten)

De Assyriërs probeerden meer dan een eeuw lang de Levant te veroveren voordat het noordelijke koninkrijk in 722 v.Chr. viel. De daaropvolgende hervestiging van het grootste deel van de Israëlitische bevolking buiten het koninkrijk Juda liet een diep litteken achter op de Joodse psyche. In tegenstelling tot hun bijna uitsluitend negatieve voorstelling in het Oude Testament, hadden de Assyriërs duidelijk een zeer hoge dunk van zichzelf en hun beschermgod:

"Assur is koning, Assur is koning!" en, verderop in de tekst, "Moge uw (de koning) voet in Ekur en uw handen (uitgestrekt) naar Assur, uw god, op zijn gemak zijn! Moge uw priesterschap (šangūtu) en het priesterschap van uw zonen zich gerust voelen in de dienst van Assur, uw god! Vergroot met uw rechte scepter uw land! Moge Assur u een gebiedende stem, gehoorzaamheid, overeenstemming, rechtvaardigheid en vrede schenken!"... "Assur is koning, ja Assur is koning! Assurbanipal is de [...] van Assur, de schepping van zijn handen. Mogen de grote goden zijn heerschappij vestigen, mogen zij het leven [van Assurba]nipal, koning van Assyrië, beschermen! Mogen zij hem een rechtvaardige scepter geven om het land en zijn volkeren uit te breiden! Moge zijn heerschappij worden vernieuwd en mogen zij zijn koninklijke troon voor altijd consolideren!"[1]

"Assur is koning, Assur is koning!" Die titel hebben we eerder gehoord, en dat is geen toeval. Inmiddels is vastgesteld dat Assur Enlil was met een andere naam, en de identiteit van Enlil is in verband gebracht met El, Dagan, en Kumarbi, die allen werden beschouwd als zijnde de schepper, vader van de goden, en/of koning van het pantheon. Het is dan ook geen verrassing dat deze entiteit zijn Assyrische aanbidders ervan overtuigde hem eveneens "koning" te noemen.

En aangezien God Zijn toorn op deze entiteit richtte onder de namen "El" en "Enlil", ook al is dat voor ons, niet-Hebreeuwse sprekers, verborgen, zou het evenmin een verrassing moeten zijn dat God ook voor Assur bepaalde woorden had, ook al zijn ook die verborgen door moderne vertalingen en onze onbekendheid met de wereld van de Hebreeuwse profeten.

Het helpt natuurlijk niet dat ʾaššūr in het Hebreeuws kan verwijzen naar het koninkrijk van Assyrië of de kleine-god Assur, afhankelijk van de context. Dit is weliswaar enigszins speculatief, maar in de context van de verzen die we hieronder zullen aanhalen, gegeven het bewijs dat we al hebben gepresenteerd over de betekenis van deze bovennatuurlijke rebel die koning zou worden, zijn wat je op het punt staat te lezen profetieën over de uiteindelijke vernietiging van deze oude vijand van God.

Jesaja 14 is één van de meest opmerkelijke hoofdstukken in de Bijbel. Het is de bron van het bekende vers: "Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o Lucifer, zoon des morgens! hoe zijt gij ter aarde geveld, die de volken verzwakt hebt!"[2] Op het eerste gezicht is het eerste deel van het hoofdstuk een polemiek tegen de koning van Babylon en een profetie van de vernietiging van die natie. Bedenk echter dat op het moment dat Jesaja geïnspireerd werd om dit vers te schrijven, Babylon een vazalstaat van Assyrië was. Sjalmaneser V had slechts twintig of dertig jaar eerder Samaria verwoest en de noordelijke stammen van Israël weggevoerd, en het zou bijna een eeuw duren voordat de Chaldeeën het Neo-Babylonische Rijk vestigden.

Er is meer aan de hand in Jesaja 14 dan een profetie over de vernietiging van Babylon of het bespotten van Satan, die blijkbaar van zijn status in Eden was teruggebracht tot het worden van de heer van de doden. (Maar let op: we zullen in een volgend artikel betogen dat Satan niet het onderwerp is van Jesaja 14 of Ezechiël 28. Met andere woorden, Lucifer is Satan niet!)

Beschouw de vreemde beschrijving van de rebel van Eden in vers 19:

Alle koningen van de naties liggen in glorie,
ieder in zijn eigen graf;
maar jij bent verstoten, weg van je graf,
als een verafschuwde tak,
bekleed met de verslagenen, zij die door het zwaard zijn doorboord,
die naar beneden gaan naar de stenen van de put,
als een dood lichaam dat vertrapt wordt. (Jesaja 14:19, onderstreping toegevoegd)

Wat bedoelde de profeet door de rebel van Eden "een verafschuwde tak" te noemen? De meeste Engelse vertalingen zijn het erover eens dat het Hebreeuwse woord netser "tak" betekent, hoewel een paar kiezen voor "scheut". De door de vertalers gekozen bijvoeglijke naamwoorden omvatten "verafschuwd", "weerzinwekkend", "verworpen", "waardeloos" en "afschuwelijk", maar ze geven dezelfde betekenis weer - iemand of iets dat volkomen afschuwelijk is. Maar zelfs als we de verschillen in cultuur en taal van de laatste 2700 jaar in aanmerking nemen, is de uitdrukking "verafschuwde/waardeloze/afschuwelijke tak" vreemd.

De sleutel is te begrijpen dat Jesaja niet het Hebreeuwse woord netser gebruikte; hij gebruikte een woord uit een andere taal dat hetzelfde klonk en dat voor zijn lezers gewoon genoeg was om begrepen te worden:

[De term kan het best worden uitgelegd als een leenwoord van het gewone Egyptische zelfstandig naamwoord nṯr. Nṯr wordt over het algemeen vertaald met "god", maar wordt gewoonlijk gebruikt voor de goddelijke doden en hun fysieke overblijfselen. Het kwam oorspronkelijk in het Hebreeuws als een zelfstandig naamwoord dat verwees naar het vermeende vergoddelijkte lijk van een dode koning, wat nauw verwant is aan het Egyptische gebruik.[3] (Nadruk toegevoegd)

De Egyptenaren gebruikten regelmatig het woord nṯr, een homoniem (een woord dat hetzelfde klinkt als een heel ander woord) voor netser, om Osiris te beschrijven, de Egyptische god van de doden. Gegeven het feit dat Jesaja zojuist het "Welkom in Sheol" feest had beschreven dat werd georganiseerd door de Rephaim (de "schaduwen" in Jesaja 14:9), is het logischer om hem een "afschuwelijke dode god" te noemen dan "verafschuwde tak".

Waarom een leenwoord uit Egypte? De invloed van Juda's zuidwestelijke buurman is duidelijk in het boek Jesaja. De profeet waarschuwde Hizkia niet te vertrouwen op een Egyptische alliantie om zijn koninkrijk te beschermen (Jesaja 30:1-2, 31:1-3), wat Jesaja "een verbond met de dood" noemde (Jesaja 28:15). Echter, recentelijk ontdekte zegels van Koning Hizkia bevatten de afbeelding van een scarabee (mestkever), een heilig symbool in Egypte.[4] Het lenen van een Egyptisch woord zou dus niet ongebruikelijk zijn geweest voor Jesaja, vooral gezien de slechte mening die hij had over de buurman van Juda.

Het bijvoeglijk naamwoord dat vertaald wordt met "verafschuwd" of "afschuwelijk", het Hebreeuwse taʿab, is belangrijk. Het wijzigt het zelfstandig naamwoord netser, dat normaal een positieve connotatie zou hebben. In deze context kan taʿab "ritueel onrein" suggereren.[5] Jesaja maakte hier een diepgaande verklaring over de rebel van Eden: De "verafschuwde tak" was eigenlijk een "onreine god," de status van de goddelijke rebel nadat hij uit Eden was geschopt.

Wat Jesaja 14 nog fascinerender maakt is een ander leenwoord, dit keer uit het Aramees, een paar verzen verder:

Moge het nageslacht van boosdoeners
nooit meer genoemd worden!
Bereid de slachting voor van zijn zonen
vanwege de schuld van hun vaders,
opdat zij niet opstaan en de aarde bezitten,
en het gelaat der wereld met steden vullen. (Jesaja 14:20b-21)

Nu, God is niet tegen steden als zodanig. Hij inspireerde Nehemia, Ezra, Zerubbabel, en anderen om Jeruzalem en zijn muren te herbouwen. Dus, hoe moeten we dit begrijpen?

Hier is de sleutel: Het Hebreeuwse woord voor "stad" is ʿiyr. In het Aramees betekent datzelfde woord "Wachter." De meervoudsvormen zijn respectievelijk ʿiyrim en ʿiyrin. Dankzij Dr. Michael S. Heiser hebben we een goed voorbeeld van een Aramees woord dat in de Bijbel werd geïmporteerd en vervolgens werd gecorrigeerd met het meervoudsachtervoegsel -im, waardoor naphil(a)("reus") werd veranderd in nephilim, volgens de Hebreeuwse regels van woordvorming.[6]

Je kunt meteen zien hoe dat de passage hierboven op een belangrijke manier zou veranderen:

Bereid een slachting voor zijn zonen
vanwege de schuld van hun vaders,
opdat zij niet opstaan en de aarde bezitten,
en het aangezicht der wereld met [Wachters] vullen. (Jesaja 14:21, nadruk toegevoegd)

Dat geeft een nieuwe draai aan het hele hoofdstuk. Jesaja kan de bedoeling hebben gehad om Gods oordeel vast te leggen over de nakomelingen van de rebellerende engelen op Hermon, de Wachters, en hun nageslacht, de Nephilim. Een soortgelijke profetie werd uitgesproken door de profeet-voor-profeet, Balaam:

[Een ster zal uit Jakob komen,
en een scepter zal opkomen uit Israël; [...]
En iemand uit Jakob zal heerschappij uitoefenen
en de overlevenden van [Wachters] vernietigen! (Numeri 24:17b, 19; nadruk toegevoegd)

Ik stuitte op deze nieuwe lezing van Jesaja 14 tijdens het onderzoek naar mijn boek uit 2018, Laatste Botsing der Titanen. Op dat moment begreep ik de hierboven aangehaalde passages als de geprofeteerde vernietiging van Lucifer/Satan en de Rephaim (d.w.z. de Nephilim). De steden/Waarnemers verwisseling opent een andere dimensie van begrip voor Jesaja 14 en Numeri 24, ook.

Het is duidelijk dat we niet elke keer dat er in het Oude Testament sprake is van "steden" kunnen vervangen door "Wachters". In de meeste gevallen betekent ʿiyrim "steden." Maar in de passages hierboven, past de vertaling van het woord als "Wachters" beter in de context.

En in Jesaja 14 past het nog beter als we bedenken dat het hoofdstuk, in tegenstelling tot de lang heersende consensus, helemaal niet verwijst naar Lucifer/Satan, maar in plaats daarvan gericht was tegen een andere bovennatuurlijke rebel: Assur.

Volgende: Lucifer is niet de Satan

Eindnoten

[1] A. Livingstone, “Assur.” In K. van der Toorn, B. Becking, & P. W. van der Horst (Eds.), Dictionary of Deities and Demons in the Bible (2nd extensively rev. ed.) (Leiden; Boston; Köln; Grand Rapids, MI; Cambridge: Brill; Eerdmans, 1999), p. 108.

[2] Isaiah 14:12 (King James Bible).

[3] Hays (2012), op. cit., p. 17.

[4] Claude Mariottini, “The Seal of Hezekiah.” Dr. Claude Mariottini—Professor of Old Testament , Aug. 5, 2014. https://claudemariottini.com/2014/08/05/the-seal-of-hezekiah/, retrieved 5/21/21.

[5] Ibid., p. 18.

[6] Michael S. Heiser, “The Nephilim.” SitchinIsWrong.com , http://www.sitchiniswrong.com/nephilim/nephilim.htm, retrieved 5/21/21.

Bron: The Second Coming of Saturn Part 19: The Prophesied Destruction of the Watchers » SkyWatchTV